Diverse vertalingen van mijn hand. Verplicht dus aan hun makers.

 

In conclusion

‘Tot besluit’, Menno Wigman

I know the sorrow of the copyshops,
the hollow men with yellowed newspapers,
glassrimmed mothers with their notice cards,

the scent of stationery, statements of account,
internal revenue and rental forms,
the pointless ink that claims that we exist.

And I saw the spreading suburbs, dead on birth,
where people strive to really look like people,
the streets near-perfect similes of a street.

Who do they copy? And who, in turn,
do I? Father, mother, world, DNA,
and there you are exhaling your own name,

an imprint with hereditary hope
of peace, promotion, offspring, money, fame.
And I, yapping vocals in my home of verse,

had I but something, something new to say.
Light. Heaven. Love. Illness. Death.
I know the sorrow of the copyshops.

 

Zij hield toen heel veel van mij

She used to love me a lot’, Johnny Cash
(geschreven door Charles Quillen, Rhonda Fleming en Dennis Morgan)

Ik zag haar door ’t raam van een café
Ze zat daar aan een tafeltje voor twee
Ik wilde alweer doorgaan
Maar een stem in mij die zei:
Zij hield toen heel veel van mij

Ze was alleen, leek somber, keek omlaag
Ik wist dat er een dag kwam als vandaag
Dat ik haar weer zou vinden
Er is geen vrouw als zij
Zij hield ooit heel veel van mij

Ik ging snel naar binnen en schoof aan
Ze zei: waar kom jij opeens vandaan?
Ik moest laatst aan je denken
Ze glimlachte erbij
Toen hield zij heel veel van mij

Zij hield van mij, en zag nooit een ander staan
Nu ik haar zie denk ik: waarom liet ik haar gaan?
Geef me heel even en ik maak van ons weer wij
Ooit hield zij heel veel van mij

Ik herinner weer hoe goed het samen was
Ik zei: wij zijn een jas die nog steeds past
We brengen hier de nacht door
En vergeten alle tijd
Jij hield toen heel veel van mij

Ik schrok, want zij stond op en liep al weg
Ze zei: luister goed naar wat ik zeg
Ja, ik heb iemand nodig
Maar hij is mij wél trouw
Ik hield echt heel veel van jou

Zij hield van mij, en geen ander kon haar aan
Nu ik haar zie denk ik: waarom laat ze mij staan?
Zij loopt de deur uit, het is voorgoed voorbij
Ooit hield zij heel veel van mij …
Zij hield toen zielsveel van mij …
Maar ik hield alleen maar van mij …

 

Ecce Puer

James Joyce, Collected Poems, 1936

Uit vroeger donker
Geboren kind.
Mijn hart dat pijn
Aan blijdschap bindt.

Kalm in zijn wiegje
Ligt leven, gewogen.
Genade en liefde:
Ontsluit zijn ogen!

Nog prille wasem
Op het glas;
De wereld verschijnt
Die nog niet was.

Een kind dat slaapt:
De oude man gaat.
Vergeef uw zoon!
O, vader, verlaten.

 

Niet alles is de liefde

‘Love is not all’, Edna St. Vincent Millay

Niet alles is de liefde: ze vult geen maag,
Vervangt geen slaap, ze biedt geen onderdak;
Ze redt geen drenkeling die hoog, dan laag,
Omhoog, steeds trager in de golven zakt;
De liefde blaast geen longen vol met lucht,
Ververst geen bloed, ze heelt geen bot dat kraakt;
Toch is er menig man die nu verzucht
Dat hij de dood verkiest als zij verzaakt.
Wellicht komt er toch ooit een zwak moment,
Gemarteld en door pijn niet meer bewust,
Of blind door een verlangen zo fervent,
Dat ik die nacht met jou verkoop voor rust,
Jouw liefde ruilen moet voor een rantsoen.
Wellicht. Ik denk niet dat ik het zou doen.

 

De olifant

Hij stapt behoedzaam en ziet grijs van zorgen
dat hij geen muis of mier of mens vertrapt.
De rafelige oren vaal gelapt,
een slurf hangt uit, het slimme oog verborgen.

Als zak van Sinterklaas zou hij voldoen,
met in het rommelige vel cadeaus
zoals entreekaartjes voor circusshows,
veel pinda’s, boekensteunen, een klaroen.

Ik weet waarom ik hem zo mild benader.
Hij draagt me naar mijn jeugd terug toen vader
bij ’t olifantenperk dit vers begon:

Nu zal ik u iets wondermoois verhalen:
Heer olifant gaat aan het koffiemalen.
Hij deed het nooit, maar ‘k wist dat hij het kon.

© Patty Scholten

 

The elephant

He steps with caution, worried grey, assured
as not to trample ant or mouse or male.
The fray-edged ears washed scrubby-pale,
a dangling trunk, the keen eye most obscured.

He could be Santa’s bag, albeit worn,
his rumbly wrinkled skin concealing toys
like tickets promising of circus joys,
and lots of peanuts, book-ends, a clarion horn.

Why I approach him in such tender fashion?
He carries me way back to youthful passion
when father spoke and elephants understood:

“I’ll now tell you a tale of wondrous means,
in which Sir Elephant grinds coffee beans.”
He never did, but I knew that he could.

Vertaling: © Arjan Keene, maart 2011