Poëzie, gedichten van wat serieuzer aard dus.

 

San Michele

Je loopt hier in het zweet langs witte graven,
de vaporetto bracht je tot de poort.
De aanlegsteiger is de toegangshaven,
dit dodenrijk een drijvend toevluchtsoord.

Ommuurd en al, een stad van steen en marmer,
al is er dan vrij weinig te beleven.
De zon maakt alles, lijkt het, net iets warmer
als om de dood wat tegengas te geven.

Ontelbaar zijn de zielen die hier zonnen,
vervallen zerken staan in strak gelid.
Maar nergens geeft de dood zich hier gewonnen,
nooit klinkt een kreet of kleppert een gebit.

Turing 2015 top-12

Een link naar gedichten die in de Top 100 van de Turing wedstrijd hebben gestaan.

 

Sonnet voor A.

Dit is de meest onwerkelijke dood.
Je gaat een eindje fietsen voor een avond,
een late middag schuift al richting avondzon.
Dan breekt de hemel open en het nood-

weer overvalt je, striemt in stromen neer,
je denkt: een plek om veilig bij te schuilen.
Hoe kon je weten dat daar wolven huilen.
Plots. Uit het diepste donker. Duivel. Noodweer.

Voor wat gebeurde zijn er nergens woorden.
Voor wie jou kende, zielsveel van je hield
ontbreekt de toekomst waar jij ook bij hoorde,

staan klokken stil. De dag dat alles viel.
Herinneringen zijn met jou verweven,
de liefste troost van dit te korte leven.

 

Mijn huid

Wanneer ik langzaam op de tast,
als was ik nieuw, mijn huid langsloop
dan zijn mijn vingers steeds verrast
door elk gebied dat op of in mij huist.

Ik voel onder mijn voeten vaste grond,
klop op slagaders die spieren overspannen,
glijd langs rondingen en hoeken van dit lijf
waarin de tijd de jeugd al heeft verbannen.

Ik sluit mijn ogen en omklem mijn schouders,
grijp mijn lurven bij hun menselijk tekort
en laat mijn handen zoeken naar verlangen,
naar vlinders in de buik en mateloze honger.

Dit is mijn huid die kou en warmte kent,
die meezucht met mijn longen en mijn hart,
gelooid als leer het zonlicht absorbeert
en alsmaar banger om mijn ingewanden zit.

Ooit rits ik mij tot aan mijn navel open,
stroop mijn huid af als een kledingstuk
en hang mijn vel op, keurig aan een hanger.
Dit is mijn lichaam. Ik heb het meer dan lief.

VUMC Poëzieprijs nominatie

 

Oefening

Denk ui. Denk sinaasappel. Denk zelf.
Kijk in de spiegel. Kijk lang genoeg,
kijk dan nog langer naar je tweede helft
tot alles wat je dacht te weten is gewist.

Ben je zover? Stap nu dit lege beeld in,
daar ligt de binnentuin van jouw natuur.
Zoek naar verlangens in het hoge gras,
kijk in de vijver, ergens glinstert je talent.

Loop richting hart. Omarm de liefde,
sla dit pad in, ga nu linksaf bij de ziel.
Pas op, hier wordt de tuin een donker bos,
kruip op de tast tot je jouw wortels vindt.

 

Wanneer ik oud ben

Wanneer ik oud ben zal ik langzaam spreken,
zeer langzaam spreken in een taal van hout.
Er zal geen morgen zijn waarop ik reken
en overmorgen is een rekenfout.

Wanneer ik oud ben gaan mijn botten breken,
en worden stukken van mijn lijf verbouwd.
Met ziekenhuizen en met apotheken
bestrijd ik achterstallig onderhoud.

Maar als ik oud ben is de geest nog jong.
Ik speel dan potjes schaak onder platanen
en zing de liedjes die ik vroeger zong.

De leeftijdsgroep van mooie meisjes groeit,
ik kijk naar alles wat steeds schoner bloeit.
Mijn lief is dan nog steeds mijn courtisane.

2e plaats Plantage Poëzieprijs

 

Een film die in de stilte draait

Het is als het verslapen van de geest,
stel ik mij voor. Een ondertiteld dromen
van wat er was en wat wellicht zou komen,
een carnaval van beelden. Als een feest.

En wat voor één! Een optocht van fantomen
waarin je eindeloos de lippen leest
van iedereen die hier ooit is geweest,
waarvan nooit meer een teken is vernomen.

Maar dit is een parade zonder woorden
en nergens klinkt muziek of hoorngeschal.
Men danst met knekels op een dodenbal.

Je schreeuwt vergeefs, verstomd, je eigen naam.
Er is geen god of liefde die het hoorde.
Intens geleefd. En dan de poppenkraam.

 

Onzegbaar

Niet onuitsprekelijk, maar onvangbaar,
als een vis die langs je vingers glijdt,
of een vlinder die, wanneer je beter kijkt
en naar haar middel reikt, zich oprolt,
een cocon wordt in een hologram.

Of hoe dat vreemde woord dan gaat bewegen,
hoe de beelden in een onverwachte nacht
gekomen zijn in tegenstribbelende stromen.
En hoe de wereld tijdelijk te klein lijkt
voor de kamers die zich langzaam openen.

Alsof je aan je eigen lichaam bent ontstegen
en neerkijkt als getuige, die er toen niet was.
De vader die geen vader is. Je wordt betast,
nabije handen zo koelbloedig op je huid.
Wat niemand wist. Of niet voor waarheid zag.